hof den haag oordeelt – in tegenstelling tot de rechtbank – dat bij de aankoop van de eerste woning ten onrechte 8% ovb is voldaan. het hof stelt voorop dat de ovb een tijdstipbelasting is, waarbij op het moment van de verkrijging wordt getoetst of er wordt voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van het verlaagde tarief. naheffing kan plaatsvinden als achteraf blijkt dat de koper op dat moment niet aan de voorwaarden voldeed. de beoordeling van het gebruik achteraf dient er dus toe om vast te stellen of de koper op het moment van verkrijging voldeed aan de voorwaarden. zowel bij de beoordeling van het gebruik achteraf als bij de intentie vooraf moet dezelfde (bewijs)maatstaf worden gehanteerd. dit betekent dat de in de parlementaire toelichting genoemde termijn van in beginsel zes maanden ook geldt om te beoordelen of een koper ten tijde van de verkrijging de intentie heeft om een woning anders dan tijdelijk als hoofdverblijf te gaan gebruiken.

hoofdverblijfcriterium

vaststaat dat het echtpaar de eerste woning langer dan zes maanden als hoofdverblijf heeft gebruikt. er is ook geen sprake van oneigenlijk gebruik of misbruik. zij voldoen daarmee aan het hoofdverblijfcriterium voor toepassing van het verlaagde ovb-tarief van 2%. bovendien was het echtpaar op het moment van de verkrijging van de eerste woning nog geen eigenaar van de tweede woning. het hof vernietigt de uitspraak van de rechtbank en stelt de ovb-teruggaaf vast op € 25.155.

Altijd op de hoogte zijn van de laatste ontwikkelingen op jouw vakgebied?
Schrijf je dan nu in voor onze e-mail nieuwsbrief