de rechtbank oordeelt onder verwijzing naar onder meer de uitspraak van de hoge raad van 13 juni 2014 dat het voorgenomen gebruik van de woning van belang is voor de wijze waarop de leegstand moet worden doorberekend in de maatstaf van heffing voor de kosten van het privégebruik. in deze zaak bleek uit de verhuur- en beheerovereenkomst dat: • de man de recreatiewoning zowel privé als zakelijk wilde gebruiken; en • de woning hem tijdens leegstand ter beschikking stond voor privédoeleinden. de woning is ook feitelijk gebruikt voor zakelijke (verhuur) én voor privédoeleinden. nu de woning de man tijdens de periode van leegstand tevens voor privégebruik ter beschikking stond, oordeelt de rechtbank dat de inspecteur de uitgaven gedurende die periode van leegstand terecht op evenredige wijze betrokken heeft in de maatstaf van heffing voor het privégebruik. het aandeel privégebruik moet volgens de rechtbank in deze zaak dus worden berekend op basis van de verhouding van het aantal dagen feitelijk privégebruik tot het totaalaantal dagen van feitelijk gebruik (privé + zakelijk) van de recreatiewoning. btw-tarief 21% de rechtbank oordeelt verder dat de man 21% btw moet betalen over de kosten voor het privégebruik van de recreatiewoning. het 6%-tarief geldt voor het verstrekken van logies binnen het kader van het hotel-, pension-, en vakantiebestedingsbedrijf aan personen die daar slechts voor korte duur verblijven. dit tarief geldt in het geval de verhuurder de huurder tegen betaling gedurende een bepaalde periode het exclusieve recht van gebruik van het goed verleent. het eigen gebruik door de eigenaar van de recreatiewoning voldoet volgens de rechtbank niet aan deze criteria. het verlaagd tarief is dan ook niet van toepassing.