Sinds 1 januari 2017 is de aard en omvang van het vermogen wel van belang voor de box-3-heffing. Sindsdien bestaat de grondslag van box 3 uit een vermogensmix. Deze vermogensmix bestaat ‘uit sparen, onroerende zaken, aandelen en obligaties en wordt verdeeld in twee rendementsklassen. Rendementsklasse I betreft ‘sparenâ en rendementsklasse II betreft ‘beleggen’. Voor de rendementsklasse ‘sparen’ bedraagt het forfaitair rendement in 2017 1,63% (in 2018: 1,30%), voor de rendementsklasse ‘beleggen’ 5,39% (in 2018: 5,38%).
De hoogte van de box-3-grondslag (box-3-vermogen -/- heffingsvrij vermogen) bepaalt hoe het vermogen over deze rendementsklassen geacht wordt te zijn verdeeld. Hoe hoger het vermogen, des te meer de box-3-heffing van het laag belaste ‘sparen’ verschuift naar het hoog belaste ‘beleggen’.