de centrale raad van beroep oordeelt dat het in juni 2015 betaalde achterstallige loon vanaf 19 oktober 2013 onmiskenbaar een – weliswaar verlate – maar directe tegenprestatie is voor arbeid in de periode 19 oktober 2013 tot 3 juni 2015. het is daardoor loon uit tegenwoordige dienstbetrekking. verder staat vast dat de werkgever dit loon in de referteperiode voor de ww heeft betaald en daarmee vormt het volgens de dagloonregels dagloon voor de ww.
de ww-uitkering moet daarom worden gebaseerd op het hogere dagloon. de werknemer ontvangt daardoor een ww-uitkering die volgens het uwv bijna tweemaal zo hoog is dan het loon in de dienstbetrekking. deze zeer gunstige gevolgen van het dagloonbesluit 2015 voor de werknemer, biedt echter geen mogelijkheid om een ander dagloon vast te stellen. het is aan de wetgever om dit effect teniet te doen.
commentaar
het uwv geeft in deze zaak een eigen uitleg aan het loondervingskarakter van de ww. dit is niet de eerste keer – en niet het enige onderwerp waarop – het uwv dit doet, zonder dat hiervoor steun in de wet- en regelgeving te vinden is. het uwv wordt daarom ook nu door de rechter teruggefloten.
in deze zaak was tijdig bezwaar en beroep aangetekend, waardoor de foutieve interpretatie van het uwv kon worden gecorrigeerd. werkgevers en/of werknemers die niet tijdig bezwaar en (hoger) beroep instellen, laten deze correctiemogelijkheid liggen en hebben dan pech. deze zaak toont aan dat het des te meer noodzakelijk is om enigszins discutabele beslissingen van het uwv/belastingdienst door een specialist te laten beoordelen.
onze adviseurs sociale zekerheid, ron van baarlen (r.baarlen@fiscount.nl) en mr. joyce paashuis (j.paashuis@fiscount.nl) zijn je hierbij graag van dienst.