hof amsterdam heeft haar uitspraak gebaseerd op de rechtspraak van de hoge raad over het criterium ‘in wezen nieuwbouw’. en op grond daarvan heeft het hof geoordeeld dat er geen sprake is van een eerste ingebruikneming van een nieuw vervaardigd goed. de bv heeft volgens het hof terecht ovb voldaan. de bv stelt in cassatie dat dit criterium van de hoge raad is gebaseerd op een onjuiste interpretatie van de rechtspraak van het promo 54 sa-arrest (c-239/22) van het eu-hof van justitie. volgens de bv moet uit dit arrest worden afgeleid dat betekenis toekomt aan elke ingrijpende verbouwing van een bestaand gebouw, die:

  • tot veranderingen van betekenis heeft geleid die zijn bedoeld om het gebruik van een gebouw te wijzigen; of
  • om de omstandigheden waaronder het wordt gebruikt, ingrijpend aan te passen.

na een dergelijke verbouwing zou de levering van het betrokken gebouw voor de btw-heffing moeten worden gelijkgesteld met een nieuw gebouw, aldus de bv. in dit kader vindt de bv het niet van belang of – en op welke wijze – een lidstaat de mogelijkheid heeft benut om invulling te geven aan het begrip ‘vóór eerste ingebruikneming’. dit betekent volgens de bv dat lidstaten alleen een criterium mogen formuleren dat invulling geeft aan het begrip ‘verbouwing’ – maar niet om dit als een ondergrens te behandelen bij de beantwoording van de vraag of een gebouw voor het eerst in gebruik wordt genomen.

uitspraak hoge raad
volgens de hoge raad is de uitleg die zij geeft aan het begrip ‘nieuw vervaardigd goed’ niet in strijd met de btw-richtlijn. deze richtlijn geeft de lidstaten ruimte om voorwaarden te verbinden aan het criterium ‘eerste ingebruikneming’ bij verbouwingen van bestaande gebouwen. daarbij is rekening gehouden met de uitleg die het promo-54 sa-arrest geeft aan het begrip ‘verbouwing’, aldus de hoge raad. het cassatieberoep wordt afgewezen.

Altijd op de hoogte zijn van de laatste ontwikkelingen op jouw vakgebied?
Schrijf je dan nu in voor onze e-mail nieuwsbrief