De voorwaarden voor de verschuiving van het heffingsrecht van de woonstaat (in dit geval België) naar de bronstaat (in dit geval Nederland) staan in het tweede lid van artikel 18 van het belastingverdrag. Onder dat tweede lid vallen ook de afkoopsommen van ingegane lijfrenten. In het derde lid staat zonder verdere restricties dat een afkoopsom van niet-ingegane lijfrenten is toegewezen aan de bronstaat (in dit geval Nederland). Het betreft in deze casus een niet-ingegane lijfrente die dus onder dat derde lid valt.

Samentelling
De inspecteur was van mening dat de pensioeninkomsten en de afkoopsom van de niet-ingegane lijfrente moesten worden samengeteld voor de drempel van € 25.000, genoemd in het tweede lid. Zo was niet alleen de afkoopsom in Nederland belast, maar de pensioeninkomsten eveneens. Het hof oordeelde echter dat uit het verdrag en de toelichting op het pensioenartikel niet duidelijk blijkt of de bedragen van het tweede en het derde lid moeten worden samengeteld. Uitgaande van het feit dat op basis van de verdragstekst de door belanghebbende bepleite uitleg juist kan zijn – en wellicht meer voor de hand ligt – komt het hof tot de slotsom dat het heffingsrecht over het pensioen exclusief dient te worden toegewezen aan de woonstaat, België. De onduidelijkheid van de bepaling dient voor rekening van de verdragsopstellers te komen.

Nederland mag heffen over de afkoopsom van de niet-ingegane lijfrente ad € 7.371 en België over de € 23.817 pensioeninkomsten, nu deze onder de drempel van € 25.000 blijven.

Altijd op de hoogte zijn van de laatste ontwikkelingen op jouw vakgebied?
Schrijf je dan nu in voor onze e-mail nieuwsbrief