de hoge raad oordeelt dat een verzoek om vergoeding van immateriële schade niet mag worden afgewezen vanwege de omstandigheid dat de zaak een zeer geringe kans op succes heeft. de onderhavige zaken zijn niet tegelijk behandeld met andere identieke zaken. aan de spanning en frustratie voor de onderhavige zaken was dus geen einde gekomen. bovendien is de uitbraak van corona in algemene zin geen bijzondere omstandigheid die een verlenging van de termijn voor immateriële schade rechtvaardigt. het maakt niet uit dat het verzoek pas in de verzetsprocedure is gedaan. de redelijke termijn is met 28 maanden overschreden. er bestaat recht op een immateriële schadevergoeding van € 2.500.