de taxaties waarmee de man de inbrengwaarde wenst te verhogen, betreffen een taxatie uit 2002 en een taxatie uit 2020. rechtbank noord-holland oordeelt dat aan de taxatie uit 2002 weinig gewicht toekomt. de bedrijfsruimte met grond was toen namelijk op de waarde leeg en vrij van huur gewaardeerd, terwijl de bedrijfsruimte al werd verhuurd aan de bv. volgens de rechtbank onderbouwt ook de taxatie uit 2020 de gestelde hogere inbrengwaarde onvoldoende. de taxateur heeft wel de waarde van de onroerende zaak in verhuurde staat op 1 januari 2001 vastgesteld, maar hij geeft geen inzicht in de wijze waarop die waarde tot stand is gekomen. de lagere inbrengwaarde van € 1.490.710 dient als basis voor het bepalen van het terbeschikkingstellingsresultaat (tbs-resultaat) bij het einde van de terbeschikkingstelling in 2015. de inspecteur heeft het hogere tbs-resultaat (€ 174.792) op de juiste wijze vastgesteld.