De Europese btw-richtlijn en de bijbehorende rechtspraak dwingen Nederland om de btw-sportvrijstelling te verruimen. In 2008 oordeelde het EU-Hof namelijk al dat de terbeschikkingstelling van een sportterrein een prestatie is, die onder de btw-sportvrijstelling moet vallen. Dat gaat vanaf 2019 gebeuren.

Einde constructies?
Een bekende werkwijze om onder de huidige btw-regels btw-aftrek te claimen, is dat sportverenigingen die een zaal of een sportcomplex huren van de gemeente een stichting tussenschuiven in het zicht van hoge onderhoudskosten (of nieuwbouw). Zolang die stichting reële betekenis heeft, gaat dat goed. Het is daarbij van belang dat aannemelijk kan worden gemaakt dat de oprichting van de stichting niet alleen tot doel heeft het behalen van een belastingvoordeel. Ook moeten de stichting en de vereniging ieder een eigen en zelfstandig bestuur hebben.

De Belastingdienst heeft vaak geprobeerd om constructies met stichtingen die sportcomplexen exploiteren, tegen te gaan met het middel van ‘misbruik van recht’. Deze pogingen zijn tot nu toe vaak mislukt. Met de invoering van de btw-vrijstelling komt er waarschijnlijk een einde aan deze aftrekmogelijkheid.

Administratieve gevolgen invoering btw-vrijstelling
De invoering van de verruimde sportvrijstelling heeft ten eerste administratieve gevolgen. Sportverenigingen, sportstichtingen etc. zullen immers de inrichting van hun administratie hierop moeten aanpassen. Ook kan de invoering leiden tot herziening van eerder in aftrek gebrachte btw. Is bij de oplevering van bijvoorbeeld een sportcomplex de voorbelasting op de bouwkosten in aftrek gebracht, terwijl op het invoeringsmoment van de verplichte vrijstelling de 9-jaarstermijn nog niet is verstreken, dan zal vanaf dat moment de in het verleden afgetrokken btw moeten worden gecorrigeerd.

Andere verruiming blijft uit
Een andere verruiming op grond van de Btw-richtlijn en de bijbehorende rechtspraak blijft nog uit. Er mag namelijk geen onderscheid meer worden gemaakt tussen diensten aan leden en niet-leden van niet-winstbeogende instellingen. Het EU-Hof van Justitie oordeelde eind 2013 in de Bridport and West Dorset Golf Club-zaak (C-495/12) dat de vrijstelling voor nauw met sport samenhangende diensten door niet-winstbeogende instellingen geldt voor leden én voor niet-leden. Deze uitspraak heeft ook gevolgen voor de Nederlandse btw-sportvrijstelling, waarin de genoemde diensten alleen zijn vrijgesteld voor zover deze worden verricht aan de leden van de sportvereniging.

Altijd op de hoogte zijn van de laatste ontwikkelingen op jouw vakgebied?
Schrijf je dan nu in voor onze e-mail nieuwsbrief