De rechtbank stelt vast dat het heffen van belasting een inmenging is in het door artikel 1 EP gewaarborgde recht op ongestoord genot van eigendom. De inmenging is echter gerechtvaardigd als deze ‘wettig’ is, een ‘legitiem doel’ dient en een ‘fair balance’ respecteert tussen het individuele belang van de belastingplichtige en het algemene belang.

Ten aanzien het discriminatieverbod (artikel 14 EVRM ) merkt de rechtbank op dat daarvan sprake is als personen die in gelijke situaties verkeren zonder objectieve en redelijke rechtvaardigingsgrond anders worden behandeld. Volgens de rechtbank voldoet het verhoogde eigenwoningforfait aan de voorwaarden van een gerechtvaardigde inmenging en is er geen sprake van discriminatie.

Geen ongerechtvaardigde inmenging en discriminatie

Uit de wettekst en de wetsgeschiedenis volgt dat de wetgever bewust heeft gekozen voor het eigenwoningforfait van 2,35% voor woningen vanaf een bepaalde waarde. In het kader van zijn streven naar evenwichtige maatregelen voor diverse inkomens- en vermogensgroepen heeft de wetgever de afweging gemaakt om bij duurdere woningen meer gewicht toe te kennen aan het beleggingsaspect (de waardeontwikkeling). In zoverre heeft hij dus een verschil gemaakt tussen belastingplichtigen met een eigen woning met een eigenwoningwaarde onder of juist boven een bepaald grensbedrag.

Er is een redelijke, proportionele verhouding tussen de gehanteerde middelen en het met de heffing beoogde doel. De wetgever heeft een ruime beoordelingsvrijheid, zowel met betrekking tot die middelen als met betrekking tot hun geschiktheid om dat doel te bereiken. Deze beoordelingsmarge heeft de wetgever niet overschreden.

Altijd op de hoogte zijn van de laatste ontwikkelingen op jouw vakgebied?
Schrijf je dan nu in voor onze e-mail nieuwsbrief