de hoge raad oordeelt dat het waterschap de voorbelasting op de zonnepanelen niet volledig kan aftrekken. ook niet op grond van de fictiebepaling van artikel 3, lid 3, letter a wet ob. hierdoor zou volgens het waterschap de geproduceerde elektriciteit voor het zuiveren van rioolwater moeten worden aangemerkt als het bestemmen van die elektriciteit voor andere dan bedrijfsdoeleinden en dus bij fictie als levering onder bezwarende titel moeten worden beschouwd. daardoor zou het waterschap ook voor deze activiteit alsnog recht hebben op aftrek van de voorbelasting op de zonnepanelen.
fictiebepaling geldt alleen voor economische activiteiten
de hoge raad oordeelt echter dat deze fictiebepaling niet geldt voor zover de zonnepanelen zijn aangeschaft voor het verrichten van activiteiten die wegens de niet-economische aard ervan buiten de werkingssfeer van btw-richtlijn 2006 vallen. het waterschap verricht zowel economische activiteiten als niet-economische activiteiten. de voorbelasting ter zake van de aanschaf van de zonnepanelen is dan slechts aftrekbaar voor zover deze kosten kunnen worden toegerekend aan de economische activiteiten.
ook het feit dat het waterschap de zonnepanelen heeft aangeschaft in zijn hoedanigheid als ondernemer, kan niet tot volledige aftrek leiden. de aftrek moet dan worden bepaald rekening houdend met de verwachte bestemming van de opgewekte elektriciteit. op het moment van het in rekening brengen van de btw op de zonnepanelen was de verwachting dat 58% belast zou worden geleverd aan de energiemaatschappij en 42% direct zou worden gebruikt voor de rioolzuiveringsinstallatie. het gelijk is daarom aan de inspecteur.