de hoge raad oordeelt dat het voorvoegingsverlies van de holding-bv verrekenbaar is met de winst van de fe. de inspecteur heeft ten onrechte geweigerd om een nihilaanslag af te geven. de hoge raad overweegt hierbij twee wettelijke bepalingen en een bepaling uit het besluit fiscale eenheid 2003 (bfe 2003).
werkzaamhedentoets
op grond van artikel 20, lid 4 wet vpb moet aan de werkzaamhedentoets worden voldaan om het voorvoegingsverlies van de holding te kunnen verrekenen met de geconsolideerde winst (voorwaarde artikel 15ae, lid 3 wet vpb). deze toets hoeft alleen plaats te vinden op het niveau van de desbetreffende gevoegde bv (i.c. de holding-bv). daarnaast bepaalt artikel 5, lid 4 van het bfe 2003 dat de winst van een dochter-bv wordt toegerekend aan de holding-bv voor verrekening van voorvoegingsverliezen van de holding-bv. deze toerekening ziet niet op de aard van de werkzaamheden of de werkzaamhedentoets. omdat aan alle relevante bepalingen wordt voldaan en aan deze bepalingen ook geen andere uitleg kan worden gegeven, is het voorvoegingsverlies van de holding verrekenbaar met de aan de fe toegerekende winst van de dochter-bv.
samenstel bepalingen
de hoge raad voegt daar aan toe dat de uitkomst van de toepassing van het samenstel deze bepalingen bij een grammaticale uitleg op gespannen voet staat met doel en strekking van een of meer van die bepalingen als zij op zichzelf worden beschouwd. maar dit rechtvaardigt niet dat aan dit samenstel van bepalingen een andere uitleg wordt gegeven.