bij het overlijden van de eerste ouder schrijft artikel 21, lid 15 sw voor dat de corresponderende schuld voor de erfbelasting wordt gewaardeerd als renteloos. de hoogte van de wettelijke rente blijft daarmee buiten de fiscale waardering. dit kan spelen wanneer het overlijden van de eerste ouder in het jaar 2024 heeft plaatsgevonden. in dat jaar was de wettelijke rente namelijk 7%, wat tot een rente van 1% leidde.
bij het eerste overlijden voorkomt de toepassing van artikel 21, lid 15 sw derhalve waarderings- en timingproblemen. maar hoe werkt dit uit bij het overlijden van de tweede ouder? op grond van jurisprudentie geldt ten aanzien van de overbedelingsschuld bij het tweede overlijden artikel 21, lid 1 sw namelijk de waarde in het economische verkeer. dit betekent dat de daadwerkelijke wettelijke rente als uitgangspunt geldt. elk jaar moet dan worden beoordeeld of de dan geldende wettelijke rente hoger dan 6% was. zo ja, dan moet het verschil enkelvoudig (niet rentedragend) worden bijgeteld. dat vergt een rentestaffel van het eerste tot het tweede overlijden.
tip
wil je voorkomen dat je achteraf tijdrovende berekeningen moet maken vanwege deze variabele rente? dan kan dat een reden zijn om binnen de aangiftetermijn van artikel 4.13, lid 4 sw een afwijkende renteafspraak te maken voor een vaste rente (eventueel 0%) die enkelvoudig of samengesteld kan zijn.