hof den haag oordeelt dat de inspecteur het werkelijke rendement correct heeft vastgesteld. daartoe behoort dus ook de ongerealiseerde waardestijging van het vakantiehuis. zou de man het vakantiehuis wel verhuren, dan zouden ook deze opbrengsten minus kosten in de box-3-heffing worden betrokken. het is aan de man om aannemelijk te maken dat het werkelijke rendement lager is dan het forfaitaire rendement. de man is daarin niet geslaagd.
onroerende versus roerende zaken
ook wijst het hof de stelling van de man af dat eigenaren van een vakantiehuis voor eigen gebruik onterecht ongelijk worden behandeld ten opzichte van belastingplichtigen die vrijgestelde roerende zaken, zoals een auto, boot of kunst bezitten voor eigen gebruik. de wetgever heeft bij het maken van het onderscheid tussen de fiscale behandeling van deze zaken een ruime beoordelingsvrijheid. als bij gelijke zaken toch onderscheid wordt gemaakt, dan moet daarvoor een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaan. het oordeel van de wetgever moet echter worden geëerbiedigd als het gemaakte onderscheid niet van dien aard is dat deze van redelijke grond is ontbloot. dit is het geval bij het onderscheid in de fiscale behandeling van roerende en onroerende zaken.