de hoge raad-uitspraak waarnaar het hof verwijst namen we op in btw-fiscasus2201. naast het geschil over de fictieve verhuur aan privé, speelt in deze zaak ook een geschil over de naheffingsaanslag met betrekking tot de onttrekking van de woning per 1 januari 2016 door de beëindiging van de onderneming. volgens de inspecteur is de onderneming beëindigd, omdat de vof vanaf 2013 tot augustus 2016 geen omzet heeft aangegeven, de man en vrouw nauwelijks ondernemingsactiviteiten hadden ontplooid en zij ook in hun aangiften inkomstenbelasting tussen 2013 en 2015 geen winst uit onderneming hadden aangegeven. de man en de vrouw zijn van mening dat de beëindiging in 2012 had plaatsgehad en dat zij nu andere bedrijfsactiviteiten ontplooien. het hof volgt hen hier niet in, omdat zij hun stelling onvoldoende aannemelijk kunnen maken.

 

Altijd op de hoogte zijn van de laatste ontwikkelingen op jouw vakgebied?
Schrijf je dan nu in voor onze e-mail nieuwsbrief