Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat de bv niet aannemelijk maakt dat zij op de balansdatum 31 december 2019 een concreet herinvesteringsvoornemen had. Hiervoor is van belang dat:

  • het door de directeur van de bv met de coöperatie gesloten relatie- en concurrentiebeding geen bewijs vormt voor een herinvesteringsvoornemen;
  • het ontbreken van voldoende financiële onafhankelijkheid van de directeur evenmin daarvoor bewijs vormt;
  • de overeenkomst van opdracht in privé is gesloten en geen afspraken bevat over een participatie;
  • pas in 2022 aantoonbaar sprake is van een mogelijkheid tot participatie.

De inspecteur heeft de vorming van de HIR terecht geweigerd.

Tip

De Hoge Raad oordeelde in 2022 dat het voor de vorming van een HIR niet vereist is dat het herinvesteringsvoornemen in het jaar van de vervreemding van het bedrijfsmiddel kan worden gerealiseerd. Maar het voornemen moet wel gedurende de gehele 3-jaarstermijn aantoonbaar reëel zijn. Als tijdens deze periode redelijkerwijs niet te verwachten is dat de voorgenomen herinvestering zal kunnen plaatsvinden, dan moet de HIR vrijvallen. Om aannemelijk te maken dat een herinvesteringsvoornemen bestaat, is het dan ook verstandig om concrete bewijsstukken te verzamelen, waaruit de ondernomen activiteiten blijken voor het vinden van een vervangende investering. Wijs je klanten in voorkomende gevallen hierop.

Altijd op de hoogte zijn van de laatste ontwikkelingen op jouw vakgebied?
Schrijf je dan nu in voor onze e-mail nieuwsbrief