Een theaterexploitant neemt in zijn entreeprijzen ook € 3,75 op voor het gebruik van de garderobe, een pauzedrankje en administratiekosten. De bezoekers kunnen in de pauze kiezen uit alcoholische of niet-alcoholische drankjes. Volgens de theaterexploitant geldt het 9%-btw-tarief ook voor de alcoholische pauzedrankjes, omdat die opgaan in de hoofdprestatie van het theaterbezoek. In tegenstelling tot Hof Den Bosch oordeelt de Hoge Raad dat de levering van de drankjes geen bijkomende prestatie is bij de hoofdprestatie: het verlenen van toegang tot theatervoorstellingen. De pauzedrankjes zijn belast tegen het 21%-tarief. Toch staat de deur nog op een kier.
De Hoge Raad verwijst de zaak namelijk naar Hof Arnhem-Leeuwarden voor de vraag of de naheffing van de te hoge btw-teruggaaf in strijd is met het vertrouwensbeginsel.